Rozendaal en Van der Kruis

Anna van der Kruis, 16 maart 2017

1.
Ik zit met mijn beste vriend in een café. We hebben het over mijn ontmoetingen met Ilmer Rozendaal. Ik ben onder de indruk van haar en zij is dat ook van mij. Toch voel ik me ook onzeker.

Ik zeg, “ik vind het zo raar, dat mijn lief en jij haar allebei nog nooit ontmoet hebben, terwijl ik het gevoel heb dat ik al jaren naar haar op zoek ben.”

Ik zeg dat ik denk dat we door dezelfde dingen geraakt worden. Hetzelfde gevoel. Dezelfde precisie. Hetzelfde oog voor detail. Dat zij het lef heeft om behoorlijk extreme keuzes te maken in haar regies. En dat ik daarnaar op zoek was, maar dat ik, nu ik haar gevonden heb, niet meer zeker weet of ik wel durf. Of het allemaal niet te extreem is. “Ik bedoel, voor hetzelfde geld zit ik er helemaal naast.”

Hij zegt niks. Gooit een bierviltje naar me.

2.
We hebben afgesproken in Crea in Amsterdam om een ochtend te werken met een tekst van mij. Ilmer, Tim Linde, Eva Kijlstra en ik. Het is kwart voor tien.

Ik ben vroeg, want ik kom uit Utrecht met de trein. Ik wacht aan de bar. Er is nog één andere gast, hij is wat ouder en fors. Ergens, achter de schermen, valt een glas. Even is het stil. Daarna vraagt de man, aan niemand in het bijzonder “Who’s marrying?”

Er komt geen antwoord. Hij vraagt het nog een keer. Opnieuw geen antwoord. De stilte duurt blijkbaar zo lang, dat hij besluit de grap uit te leggen. “Dat is een Griekse traditie, om dingen kapot te gooien, als iemand gaat trouwen.”

3.
Tijdens de repetitie, in een lokaal hoog boven in het gebouw, gebeurt iets dat mij verrast. Eva zit aan een tafel en leest. Ilmer vraagt haar net zo lang te pauzeren en te vertragen tot we elke punt horen, elke komma.

Het is een monoloog interieur dus er is geen contact. Alsof er muur tussen ons in staat. Ilmer vraagt aan Eva of ze dat zo kan houden, terwijl ze haar blik opslaat. Ze leest, kijkt onze richting in en spreekt. Opeens vind ik mijn eigen tekst onvoorstelbaar emotioneel.

We nemen afscheid van de spelers en Ilmer en ik praten na. Ze kiest haar woorden zorgvuldig. “Wauw,” zegt ze, “ik ben echt onder de indruk.” En, “ik heb behoefte om nog even bij dit gevoel te blijven”.

Ik ben bezig met de lunch die in Crea verkocht wordt, wat ik daarbij zal drinken. Bier? Of geen bier? Hoe Ilmer en ik onze toekomst vorm kunnen geven. In mijn hoofd raast alles zonder stoppen door. “Ja,” zeg ik. “Dat begrijp ik, ik ben daarin alleen een beetje minder geoefend, dan jij. Denk ik.”

4.
Niet veel later heb ik een afspraak met Cobie de Vos, directeur van Het Huis Utrecht. Ik vertel haar dat ik blij ben en trots op mijn nieuwe tekst. En ook dat ik plezier heb in mijn ontmoetingen met Ilmer.

Als ik begin over de produceerbaarheid van mijn werk, de afspraken die ik probeer te maken met verschillende van onze partners, het vierjarenplan dat ik heb, de plannen die Ilmer heeft voor de toekomst en de vragen die ik heb over de combineerbaarheid van beide onderbreekt Cobie me. “Wacht even,” zegt ze, “ik word heel moe van je”.

Ze biedt ons de tuinkamer aan. We mogen er aan het einde van dit jaar een week in, om te onderzoeken welke plannen we samen kunnen maken. Ik ben direct rustig. Dat wil ik.

5.
Het is 2017, een zaterdag in januari. Het vriest. Ik zit in het Amsterdamse boslab. Mijn telefoon heeft geen bereik en de eerste tien minuten heb ik wifi, maar daarna ben ik het kwijt. Ik ben uitgenodigd om dit weekend deel te nemen aan een onderzoek samen met een aantal vakgenoten.

Ilmer heeft zich in eerste instantie bij Atelier Oerol/Over het IJ en daarna bij Zeelandia gespecialiseerd in opvoeringen van het werk van toneelschrijver Jon Fosse. Wat ze bij Fosse ziet, ziet ze ook bij een nieuwe generatie Nederlandse schrijvers. Bij Coen Cornelis, Olinda Oritz en bij mij. Zij noemt het een gedeelde wereldvisie. Ze zegt, “Het is theater zonder plot. Vergelijkbaar met Beckett, maar dan minder donker.”

Sinds anderhalf jaar doet ze daarnaast actief aan Circling. Een vorm van meditatie, gecombineerd met reflectief kijken en luisteren. Ilmer vermoedt dat ze Circling en theater wil combineren. Dat dit een nieuwe manier van samenwerken kan opleveren met acteurs; een nieuwe manier van repeteren en daarmee een nieuw soort theater.

We Circlen, in verschillende samenstellingen. Soms praten we tijdens een opdracht en soms aansluitend. Wanneer we in de namiddag voor het eerst met een toneeltekst gaan werken, verandert er iets. Mijn gevoel van urgentie verdwijnt, meteen. Dat is dag één.

Op dag twee proberen we het opnieuw. Ilmer spreekt een zin uit. Ze probeert niet te spelen zoals ze dat kent, geen betekenis mee te geven. Ze probeert alleen maar bezig te zijn met de fysieke ervaring. Zich te realiseren waar de woorden vandaan komen; dat het niet haar eigen woorden zijn, dat iemand anders ze heeft geschreven. Hoe ze klinken. Er gebeurt niks, tenminste, bij de ene helft van de groep.

Bij mij gebeurt er van alles. Net als bij Ilmer en bij Coen en Olinda, de schrijvers met wie Ilmer al een tijd in gesprek is.

Een van de spelers verliest haar interesse “Dit weten we toch al lang?” Zegt ze. “Dit is toch niks nieuws?” Ze is boos. Iemand vraagt of ze dat vervelend vindt. “Nee,” zegt ze, heel ferm. “Als ik ergens boos over ben dan weet ik dat het belangrijk voor me is.” Daarna stelt ze voor, dat zij het volgende stuk tekst doet.

6.
Ik hoor twee zinnen. Ik zie een speler, die niks bedoelt, die niks vooraf bedacht heeft, niks weet of lijkt te weten, maar wel naar zich laat kijken en mij daardoor, als kijker, naar een onbekende plek brengt.

Dit is waar theater voor mij over gaat. Over intimiteit. Ik ga erheen, omdat mensen op het toneel naar zich durven laten kijken. Omdat ik er dichterbij ze mag komen dan in het dagelijks leven. Omdat ik houd van die nabijheid.

7.
We werken twee volle dagen in het Amsterdamse bos en een uur voordat we naar huis gaan zie ik een speler die een tekst zegt zoals ik dat nog nooit eerder gezien heb. Ze lijkt geen vooropgezet plan te hebben. Geen boodschap. En toch, komt dat wat ze overbrengt, keihard bij mij aan. Bij mij, en bij alle anderen.

8.
Ik schrijf iets over het weekend. Ik vind het lastig dus stel het lang uit, maar uiteindelijk ga ik ervoor zitten. Ik laat het aan mijn lief lezen.

“Ik vind het vermoeiend.” Zegt hij. “Ik bedoel, je hebt het goed opgeschreven hoor. Maar ik begrijp niet dat je daar twee dagen in een bos voor nodig hebt. Om je de hele tijd openlijk ongemakkelijk te voelen en daarna twee zinnen te doen.”

Het duurt een tijdje voordat ik begrijp, wat hij daarmee precies zegt. Dat vind ik niet erg, niet meer.

Reacties

Geen reacties..

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*